Vegan Magazine nummer 126 – herfst 2020

Op naar een veganistische wereld

Een pleidooi tegen cultuurrelativisme onder veganisten

Bij mondiaal veganisme denk ik aan het kosmopolitische ideaal van een veganistische wereld én aan hoe we dat ideaal kunnen verwezenlijken. Dat ideaal is onderdeel van een bredere liberale agenda die gaat over de vrijheid van alle individuen. Welke culturele invulling mensen geven aan veganisme interesseert mij niet. Daar zijn ze vrij in, zolang ze anderen niet schaden.

In mijn eigen omgeving observeer ik onder mensen die het goed met de wereld voor hebben en veelal links zijn – een groep waar ik mijzelf ook toe reken – dat ze graag laten zien hoe mooi diverse culturen en diversiteit an sich zijn en vaak bijkomstig hoe verderfelijk het Westen is. Nu hebben we in het Westen nog te leren als het gaat om de vrijheid van alle individuen, bijvoorbeeld als het gaat om veganisme. We kunnen ons wellicht laten inspireren door elementen van andere culturen, maar moeten ervoor waken die culturen niet als geheel te omarmen of goed te keuren.

Jaïnisme, rastafari en zevendedagsadventisme zijn religieuze ideologieën. Je kunt ze aan een morele analyse onderwerpen. Het is mooi als blijkt dat veganisme onderdeel is van zo’n ideologie, maar je wilt het kind houden en niet het badwater. Zevendedagsadventisme stelt dat het huwelijk alleen iets tussen man en vrouw kan zijn. In het jaïnisme is het gebruikelijk zeer jonge kinderen gedwongen in een kloosterorde op te nemen waarbij ze ‘afstand doen van de materiële wereld’.

In mijn zoektocht naar argumenten tegen mijn kosmopolitische pleidooi voor veganisme stuit ik vooral op auteurs die schrijven over wit veganisme en westers veganisme. Verwarrend is dat een aantal auteurs de termen door elkaar gebruikt. Verwarrend is ook dat deze auteurs terecht kwesties aankaarten, maar tegelijk de plank mis kunnen slaan.

Eén van hun kritiekpunten is dat het opleggen van veganisme aan niet-westerse culturen koloniaal is of op zijn minst koloniaal kan zijn. Voedsel is namelijk een belangrijk cultureel element en in sommige culturen is het eten van bepaalde dierlijke producten belangrijk. Veganisme zou daarom niet in iedere cultuur inpasbaar zijn. Dit zou onder andere gelden voor Zuid-Amerikaanse culturen.

Die argumentatie stoelt op cultuurrelativisme: het idee dat alle culturen gelijkwaardig zijn. Cultuurrelativisme is een denkfout. De cultuur van dieren eten en dieren reduceren tot instrumenten – de cultuur van carnisme – is een foute cultuur. Of die cultuur westers of niet-westers is, doet er niet toe.

De grootste vergissing van het cultuurrelativisme is het denken in termen van groepen in plaats van in termen van individuen. Als je groepen toestaat om bepaalde gebruiken uit te oefenen met het argument dat het bij hun cultuur hoort, terwijl die gebruiken betekenen dat individuen worden geschaad – zoals het geval is als je dieren tot voedsel reduceert – dan kun je onmogelijk tegelijk voor de rechten van individuen zijn.

Cultuurrelativisme beschermt groepen ten koste van individuen en machthebbers in plaats van slachtoffers. Als je uitgangspunt is dat je de rechten van alle voelende wezens wil beschermen, moet je tot de conclusie komen dat er een superieure cultuur is. Dat is de liberale veganistische cultuur.

Vreemd genoeg beseffen veel mensen die cultuurrelativisme aanhangen dat traditie geen argument is om iets te blijven doen als het om hun eigen westerse cultuur gaat. Ze passen dat argument alleen niet consequent toe, omdat het koloniaal zou kunnen zijn. Maar kolonialisme is heerschappij van de ene groep over de andere en dat bestrijd je juist als je je inzet voor een veganistische wereld: de heerschappij van mensen over niet-menselijke dieren.

De wereld veganistisch willen maken is niet koloniaal. Het is anti-koloniaal. Het is het liberale idee van de vrijheid van het individu toepassen op niet alleen mensen, maar ook op andere dieren. Ik wil de hele wereld ‘onderwerpen’ aan dat gedachtegoed.